Johannes Scheffer

 

 

Inhoudsopgave
Collectie Scheffer

J.H. Scheffer

Levensloop
Johannes Hendrikus Scheffer is op 19 februari 1832 in Rotterdam geboren als zoon van Jan Jurie Scheffer, procureur, en Anna Maria Alida Barvous. Na het voorbereidend onderwijs in zijn vaderstad ging hij op 19 augustus 1852 in Leiden rechten studeren. Hij maakte die studie echter niet af en werd in 1858 ambtenaar op de gemeentesecretarie in zijn geboorteplaats. Daar zou hij opklimmen tot archivaris-bib1iothecaris van Rotterdam, in welke functie hij 'ten aanzien van het Archief en de Boekerij groote verdiensten jegens de Gemeente heeft verworven'. Scheffer was ook, zoals hij het zelf formuleert, 'lid van verschillende geleerde genootschappen'. Hij hield zich buiten zijn eigenlijke werk vooral bezig met de historie van zijn vaderstad en de genealogie. Daarover zijn verschillende publicaties van zijn hand verschenen. Vaak kregen die echter niet het vervolg dat Scheffer voor ogen had. Men zou het de tragiek van zijn leven kunnen noemen dat hij veel ondernam, maar dat het niet altijd lukte het tot een goed einde te brengen.

Op 25 april 1860 huwde Scheffer met Johanna Wilhelmina Herklots, geboren 19 december 1832. Zij was een dochter van boekhouder Hendrik Willem Herklots en de inmiddels overleden Jane Enslie. Het echtpaar Scheffer-Herklots kreeg vijf kinderen, waarvan er twee binnen twee jaar overleden. Drie dochters werden volwassen: Maria Jane, geb. 16.08.1862, Willemina Helena Margaretha, geb. 04.10.1864 en Marianna Frederika, geb.19.04.1870.
Na hun huwelijk gingen Scheffer en zijn vrouw in de Lamsteeg wonen. Omstreeks 1868 verhuisde het gezin naar de Goudsche Singel. Daarna werd nog twee keer verhuisd, eerst naar de Goudschestraat en later naar de West Zeedijk.

Op 13 februari 1886 is Scheffer na een maandenlange ziekte overleden. Vijf jaar daarvoor, op 11 februari, had zijn vrouw hem verlaten en was in Den Haag gaan wonen op het adres Rubensstraat 17. Zij is daarna in die plaats nog ongeveer vijf keer verhuisd en na het overlijden van haar man, op 15.12.1886, getrouwd met Pierre Louis Mounier. Mounier was telegrafist en gescheiden van zijn eerste vrouw. In 1894 is het echtpaar naar Mounier's geboorteplaats Leiden vertrokken.

Na Scheffer's overlijden zijn, op 07.05.86, de drie dochters, toen resp. 15, 20 en 23 jaar oud, verhuisd naar Arnhem1. Willemina Helena Margaretha is daarna blijkbaar naar Brielle verhuisd, want van daaruit is ze op 12.03.1889 in Den Haag ingeschreven. In 1891 vertrok ze van daaruit naar Amsterdam.

Het zou in verband met ons onderwerp te ver voeren om dieper op de persoonlijke geschiedenis van J.H. Scheffer in te gaan. Duidelijk is wel, dat hij ook in zijn privé-leven de nodige problemen heeft ondervonden.

Van klerk tot archivaris-bib1iothecaris
Op 22 oktober 1857 werd in de raadsvergadering van Rotterdam een verordening op het bewaren en in orde houden van het archief aangenomen. Daarmee moest een einde komen aan verwaarlozing en willekeur; het over verschillende vertrekken verspreide bezit moest bijeengebracht en geïnventariseerd worden.2 Bij het archief behoorde vanaf het begin een boekerij, die daar in 1906 van gescheiden werd.

Volgens de verordening moest er een vaste raadscommissie komen om B. en W. in het toezicht op het archief bij te staan. Die commissie werd begin 1858 samengesteld. Al kort na zijn indiensttreding op de gemeente-secretarie werd de jonge Scheffer als secretaris aan die commissie toegevoegd. Hem werd ook de zorg voor het archief opgedragen. Aanvankelijk was dat voor een deel van zijn tijd, maar in de loop van het jaar bleek dat niet genoeg te zijn. 'Het bleek der Commissie', aldus hun verslag over dat jaar, 'dat de overige werkzaamheden ter Secretarie dien ambtenaar weinig gelegenheid verschaften, zich met het archief bezig te houden, weshalve zij bij U aanvraag deed, om hem van alle andere werkzaamheden ter Secretarie te ontslaan en uitsluitend voor die van het archief aan te wijzen, waaraan door U met 1 december het gewenschte gevolg is gegeven'.3

In de verordening stond ook dat personen, die geen lid van het gemeentebestuur waren, met verlof van de commissie het archief konden raadplegen. Hiermee was een begin gemaakt met de openbaarheid van de archieven. Het bewaren en in orde houden daarvan maakte het nodig om de charterkamers in het raadhuis aan de Kaasmarkt te verbeteren en de kasten te veranderen of te vernieuwen. Nog voor het eind van het jaar werden de belangrijkste stukken overgebracht naar brandkast No. 1 in de Rotonde (de met een koepeldak afgedekte entreehal). Daarin kwam ook het bureau van Scheffer. In 1859 werd de verbouwing en outillage van de tweede charterkamer voltooid. Het eerste jaarverslag vermeldt verder dat de commissie haar secretaris een catalogus had laten opmaken van de op de charterkamer aanwezige boeken. Ze hoopte dat het gemeentebestuur haar zou steunen in haar pogingen om deze boekerij uit te breiden

Tot het werk van Scheffer behoorde het zoeken en verzamelen van verspreide documenten. Om verlies of zoekraken te voorkomen stempelde hij op losse stukken het stadswapen. Verder hield hij zich bezig met het kopiëren van moeilijk leesbare schrifturen en het voorthelpen van de eerste bezoekers. De openbaarheid van het archief had -zo lezen we in het verslag– 'reeds eenige geleerden en oudheidkundigen aangelokt'. In voortdurend contact met de commissie zette secretaris Scheffer zijn ordeningswerk gedurende de volgende jaren voort. In 1860 kon hij een begin maken met de inventarisatie en daarnaast vergde de registratie van de aanwinsten veel van zijn tijd. Dat schoot echter niet op, want zijn tijd werd te veel in beslag genomen door 'langdurige belangrijke nasporingen ter opheldering van oude zaken of handhaving of staving van de regten der gemeente'.

Scheffer was inmiddels eerste klerk geworden en kreeg in 1862 de titel van archivaris. De archiefruimte werd met twee vertrekken uitgebreid; het archief stond nu opgesteld in '104 van glazen deuren voorziene kasten'. De veelomvattende werkzaamheden maakten in 1863 de aanstelling van een medewerker nodig. Dat werd F.D.O. Obreen, die later directeur van museum Boymans en daarna van het Rijksmuseum zou worden.

Op 16 februari 1864 brandde museum Boymans, gevestigd historische Schielandhuis, af. Aan het einde van dat jaar besloot de gemeenteraad het Schielandhuis weer op te bouwen en een deel te bestemmen tot berging van het archief, voorzover dit in het raadhuis gemist kon worden. De archiefcommissie was het daar mee eens omdat de tegenwoordige bewaarplaats van de gemeente-archieven uit het oogpunt van brandveiligheid veel te wensen overliet.

Gemeentesecretaris Nierstrasz kwam met bezwaren. Hij stelde dat volgens zijn instructie het hele archief aan zijn zorg en verantwoording was toevertrouwd. Verplaatsing van een deel daarvan zou moeilijk te rijmen zijn met zijn verantwoordelijkheid. Scheffer reageert in een uitvoerige memorie verontwaardigd. Hij meent dat de secretaris van een grote gemeente het veel te druk heeft om ook nog zorg te besteden aan het archief. Vroeger werden de archieven overal geheimzinnig verborgen. De reden: de hopeloze verwarring en slecht ingerichte bewaarplaatsen, waaruit de gemeentesecretarissen ze door gebrek aan lust of kennis dan wel door tijdgebrek niet konden redden. Aan die toestand is nu een eind gekomen en de archiefcommissie heeft de secretaris van die onmogelijke taak ontheven. Door de brand in Boymans is duidelijk geworden dat een dergelijke calamiteit ook in het stadhuis mogelijk is. Scheffer wijst op veel praktische bezwaren uit het voorstel Nierstrasz. Het gemeentebestuur probeert kool en geit te sparen, maar Scheffer krijgt grotendeels zijn zin. De archieven van vóór 1824, met uitzondering van eigendomsbewijzen e.d., de bibliotheek en de verzameling oudheden en kunst gaan in 1868 naar het nieuwe onderkomen in het Schielandhuis. Ds. Craandijk heeft daar uitvoerig over geschreven.4

Al in 1863 had het archief een prentenverzameling van Rotterdam van 1000 nummers in veertien portefeuilles. Die werd in 1865 aangevuld met tekeningen en prenten uit de collectie Abraham van Stolk Czn. Daardoor won de verzameling zo in betekenis dat de secretaris een uitvoerige catalogus ging voorbereiden. Het eerste deel daarvan verscheen in 1868 als Roterodamum illustratum, 'een beredeneerde beschrijving van den geschiedkundige atlas in het archief der gemeente Rotterdam aanwezig betrekkelijk het hoogheemraadschap Schieland en de stad Rotterdam'. Auteurs waren Johannes Hendrikus Scheffer en Frederik Daniel Otto Obreen. Het werk ging vier delen tellen; de volgende verschenen respectievelijk in 1871, 1874 en 1880.

Bij een reorganisatie van het secretarie-personeel in 1873 werd van het archief tot een aparte afdeling gemaakt. Scheffer kreeg toen de titel van archivaris-bibliothecaris. Obreen werd adjunct-archivaris. Na diens benoeming tot hoofddirecteur van het Rijksmuseum te Amsterdam volgde J.H.W. Unger hem op 1 oktober 1883 op. Unger verving Scheffer tijdens de maandenlange ziekte die aan zijn dood in 1886 vooraf ging en volgde hem daarna op.

De Collectie Craandijk is eigenlijk de Collectie Scheffer
In de loop der jaren werden regelmatig boeken, tekeningen en andere voorwerpen ten geschenke ontvangen en ook aangekocht. In het verslag over de toestand van de archieven van 1866 wordt bij de ontvangst van vijf lithografieën van personen aangetekend: 'NB Bovenstaande personen in geene betrekking staand tot de Geschiedenis van Rotterdam kunnen dus niet in de prentverzameling in het Archief worden opgenomen, - blijven dus berusten op de Bibliotheek.'

Dat gebeurde ook met een collectie topografische tekeningen en prenten die Scheffer in 1873 kocht en die op een paar na geen betrekking op Rotterdam hadden. Ze waren afkomstig uit de nalatenschap van Mr. J. Van Dam van Noordeloos (1791-1872). Na diens dood werden er drie catalogi gemaakt, van de historieprenten en portretten, van de manuscripten en van de bibliotheek. In totaal waren er voor de verkoop, in januari 1873, twintig zittingen nodig, die 's morgens om tien uur en 's avonds om zes uur begonnen. Op één zitting na was daarbij steeds de bibliotheek-beheerder van de gemeente Rotterdam, de heer J.H. Scheffer, aanwezig. Hij was er een belangrijk koper. Uit het hoofdstuk topografie kocht hij vijftien nummers, negen betreffende Rotterdam en zes van andere plaatsen, voor resp. ƒ 35.05 en ƒ 3.30.

Het is niet helemaal duidelijk wat Scheffer precies kocht. In het verslag van Burgemeester en Westhouders van Rotterdam over 1873 staat dat uit de nalatenschap van Mr. Jacob van Dam van Noordeloos o.a. 329 nummers kaarten en gravures waren aangekocht. Een andere bron heeft afwijkende cijfers 5, maar uit de nu nog in de gemeentebibliotheek aanwezige tekeningen en prenten blijkt dat het gekochte aantal veel groter was dan de veilinggegevens doen vermoeden. Het geld was er ook voor. Een artikel in de N.R.C. van 3 september 1886 meldt over De Rotterdamsche Stadsbibliotheek dat de gemeente in 1872 een legaat van Van Dam van Noordeloos kreeg van ƒ 1.000.- , om uit diens bibliotheek de meest gewenste werken aan te kunnen kopen. Dat is blijkbaar buiten de veiling om gebeurd.

Blijft de vraag waarom Scheffer zoveel topografische afbeeldingen van kastelen ergens op het platteland kocht, die niets met Rotterdam hadden uit te staan. In hetzelfde jaar 1873 schonk ook de doopsgezinde predikant Jacobus Craandijk een dertigtal tekeningen, en in de daaropvolgende jaren nog eens vijf en twintig. Allemaal, op één na, van kastelen ver buiten Rotterdam. Die werden bij de door Scheffer gekochte collectie gevoegd. Omdat Craandijk's naam duidelijk onder de tekeningen vermeld werd, werd de verzameling op den duur 'Collectie Craandijk' genoemd.

Misschien was Craandijk ook wel bij de vorming van deze 'oneigenlijke' verzameling betrokken. Hij en Scheffer kenden elkaar goed. In zijn hierboven genoemde artikel over de bibliotheek schreef hij o.a.: 'Het beneden gedeelte der kast is de bewaarplaats van een rijke verzameling afbeeldingen van kastelen (...)'.

'Groote verdiensten jegens de Gemeente
Al in het verslag van 1867 kon Scheffer niet zonder gepaste trots verklaren: 'dat Rotterdam de eerste is van alle gemeenten in ons land, alwaar aan alle billijke eisen, zo op wetenschappelijk als administratief gebied voldaan is en het Rotterdamsch archief overal met regt als een model geroemd wordt'. Na zijn overlijden in 1886 vermeldt het verslag: 'Het was immers voorname1ijk aan zijn toewijding te danken, dat het Rotterdamse archief, in zeer verwaarloosde toestand door hem aangetroffen, bij het beëindigden van zijn 1evenstaak de verge1ijking met de best ingerichte archieven kon doorstaan. Met onvermoeiden ijver heeft hij getracht daar te vereenigen, wat hij voor de geschiedenis van eenig belang achtte, en moge al de overledene zijne gebreken hebben gehad, de lof, dat hij ten aanzien van het Archief en de Boekerij groote verdiensten jegens de Gemeente heeft verworven, mag aan zijne nagedachtenis niet worden onthouden'.

Publicaties van J.H. Scheffer

1858
De Rotterdamsche diergaarde, ill., 183 p., Rotterdam, Nijgh
1866
Het eerste stoomschip te Rotterdam en in Nederland : geschiedkundige bijdrage bij gelegenheid van den vijftigsten verjaardag der stoomvaart te Rotterdam op den 10 mei 1866, 15 p., Rotterdam, Tassemeijer
1867
Het geslacht Van Hogendorp, van de 14de eeuw tot op heden : naar onuitgegeven bronnen en oorspronkelijke stukken bewerkt, met een veertigtal familiewapens opgeluisterd door Fr. D.O. Obreen, Rotterdam, Oldenzeel Met een gesteendrukt portret van Gijsbert Karel Graaf van Hogendorp.
1868-1871
Verzameling van opstellen over Rotterdamsche straten, 25 cm., Rotterdam, H. Nijgh
Eerst verschenen het Zondagsblad, hoofdzakelijk gewijd aan de belangen der gemeente Rotterdam, daarna als losse boekjes:
Van Alkemade en de van Alkemadestraat (7 p.); Adriaan van der Werff en de van der Werffstraat (.. p.); Jonker Frans (van Brederode) en de Jonker Fransstraat (18 p.); Joach. Oudaen en de Oudaenstraat (8 p.); Gerard Meerman en de Meermanstraat (4 p.); Dirk Smits en de Smitsstraat (5 p.), alle 1868, en Eenige bijzonderheden betreffende het Spui of de binnenhaven van Rotterdam, 1871, 2 p., ook in NRC 19 juli 1871.
1868
Vereeniging tot bevordering van fabrieks- en handwerk-nijverheid te Rotterdam : verslag van de feestelijke bijeenkomst op 9 Nov. 1868, .. p., Uitg. Rotterdam
1868-1880
Roterodamum illustratum : beredeneerde beschrijving van den geschiedkundige atlas in het archief der gemeente Rotterdam aanwezig betrekkelijk het hoogheemraadschap Schieland en de stad Rotterdam, J.H. Scheffer en F.D.O. Obreen, 4 dl., Rotterdam, Van Waesberge. Hiervoor reeds genoemd.
1871-1880
Rotterdamsche Historiebladen, samengesteld door J.H. Scheffer en F.D.O. Obreen. Rotterdam, Nijgh & Van Ditmar; ill. Verschenen zijn de volgende delen:
1871: 1e afd., Kronyk van 985-1340. Bijlagen van 1252-1392, 216 p., etc.
1876: 2e afd. Geschiedkundige stukken (met bijdragen van R. Fruin, Th. Jorissen, J. Craandijk, N. Scheltema, J.B. Kan), met uitvoerig register, 858 p.
1880: 3e afd. Genealogische aanteekeningen en levensbeschryvingen (met bijdragen van R. Fruin, J.G. Frederiks, N. Scheltema, J.Craandijk), met uitvoerig register, 834 p.
Na 1880 zijn geen nieuwe delen meer verschenen. Het Rotterdamsch Jaarboekje,
dat vanaf 1888 met tussenpozen van twee jaar verscheen, kan in zekere zin als voortzetting worden beschouwd.
1874- 1883 Correspondentie. Er zijn twaalf brieven van en één aan J.H. Scheffer bekend. Ze bevinden zich in de Koninklijke Bibliotheek en of de Leidse Universiteitsbibliotheek en één in de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam
1877
Rotterdam : historische wandelingen, 64 p. Meer dan vel 1-4 is nooit verschenen
1877
Catalogus der uitgebreide en merkwaardige verzameling historische, genealogische, heraldische en letterkundige handschriften en boekwerken van wijlen den weled.geb. heer L.J.A. Scheltus van Kampferbeke, : Hierbij is geen auteursnaam vermeld, maar in zijn Voorwoord in het laatste nummer van het Algemeen Nederlandsch Familieblad noemt Scheffer zich de samensteller van deze catalogus.
1877-1884
Nederlandsch familie-archief , bewerkt door J.H. Scheffer, Rotterdam : Van Hengel & Eeltjes. Deze titel staat afzonderlijk in de centrale catalogus vermeld. Dat is verwarrend, want het betreft hier geen publicatie(s), maar een gegevensverzameling, waaruit bij latere uitgaven geput kon worden. Later, bij het Algemeen Nederlandsch Familieblad, staat er het woord 'Vereeniging' voor, waarschijnlijk omdat hij toen met anderen samenwerkte.
1877-1879
Nederlands Familie-archief (...) Genealogie van het geslacht (...): zie hierna: Genealogiën
1880
Sint Autbaertus, de bakkers en het brood te Rotterdam, 1400-1850 : historische bijdrage tot wering der vervalsching van levensmiddelen, II, 94 p., Sijthoff, Leiden. 'De schrijver geeft daarin eene zeer rijke, misschien wel volledige verzameling van bescheiden en verordeningen , betreffende de geschiedenis der bakkers en der broodfabrikatie te Rotterdam, van den aanvang der vijftiende eeuw tot op het midden van de onze.(...) Dat hij (...) die beperkte enkel tot de uitgaaf van allerlei stukken en keuren, blijft te bejammeren.' 6
1883
Grafelijke commissie of Beveelboeken, deel I: Van hertog Aelbrecht van Beyeren, 1392-1404, 52 p.; deel II: Van hertog Willem van Beyeren, 1408-1418, 58 p. Rotterdam: Het Nederlands Familie-Archief
1883
Algemeen Nederlandsch familieblad: orgaan van de Vereeniging 'Het Nederlandsch Familie-Archief', verscheen vanaf juni 1883 drie maal per week. Het was bedoeld als een populaire uitgave en bevatte heel veel familie-advertenties en verder korte artikelen over genealogische en heraldische onderwerpen. Scheffer was iniatiefnemer en redacteur. Het laatste nummer in deze vorm was van 6 juni 1884; er waren toen 142 nummers verschenen. In een 'Voorwoord' van twee pagina's legt Scheffer uit hoe het allemaal gekomen is.
Toen zijn Nederlandsch Familie-archief zo'n omvang bereikt had, dat het tot basis van een Nederlands familieblad kon dienen, maakte hij een overeenkomst met twee compagnons, die hem werkkracht en geldelijke steun konden verschaffen. De eerste, dr. J. Timmers, bleek 'zoomin de noodige algemeene kennis als het noodige kapitaal, evenzoomin eenige werkkracht als eenigen werklust te bezitten'. Met de tweede, A.B. Barkey, werd het blad opgezet, maar door een samenloop van omstandigheden moest ook die afhaken. Dank zij, zoals hij het zegt, 'een zeer veerkrachtig lichaam, met ene sterk hoofd en een onvermoeiden werkzamen geest' kon hij zelf tot diep in de nacht doorgaan. Twee dochters hielpen hem, maar na verloop van een jaar werd het gemis aan enige uitspanning of afleiding hen te zwaar en haakten ze af. 'Ik had het blad met het oog op de toekomst mijner kinderen gevestigd, maar mocht het niet laten voortbestaan ten koste hunner gezondheid en levenslust en nu mij ook hunnen steun ontviel, was het alleen voortzetten der taak mij te machtig.'
Scheffer deed het blad en zijn 'Nederlandsch Familie Archief' over aan A.A. Vorsterman van Oyen.
Deze zette het A.N.F., zoals het blad meestal wordt afgekort, van de tweede jaargang af als maandblad voort. Zelf werd hij redacteur en het blad werd een uitgave van zijn Genealogisch Heraldisch Archief te 's-Gravenhage. Het eerste nummer van de tweede jaargang verscheen in januari 1885. Het blad was wetenschappelijker geworden en de familie-advertenties verdwenen vrijwel geheel. In verband met Vorsterman van Oyen's faillissement stopte de uitgave tussen 1895 en 1900 en in 1905 werd het blad definitief opgeheven. In totaal zijn er 17 jaargangen verschenen7.
1884
'Iets over de Marranen in Nederland' in Algemeen Nederlandsch familieblad no. 132, 133 en 142

Genealogieën door J.H. Scheffer
In 1877 is Scheffer begonnen met het publiceren van genealogieën van voorname geslachten. Op de omslagen staat:

NEDERLANDS
FAMILIE-ARCHIEF
BEWERKT
DOOR
J.H.SCHEFFER
BIBLIOTHECARIS-ARCHIVARIS VAN ROTTERDAM.
Lid van verschillende geleerde Genootschappen
Als handschrift gedrukt
GENEALOGIE VAN HET GESLACHT
(..............................................................)
Rotterdam, Van Hengel & Eeltjes, 1879

Dit zijn boekjes van 135 x 195 mm. met een grijs omslag. Na een inleiding van een of twee bladzijden volgt het familiewapen en de eigenlijke genealogie, die wordt afgesloten met een uitgebreide naamwijzer. Daarna volgt de lijst van genealogieën die in behandeling zijn of ter perse liggen.

Op de achterzijde van de omslag van de verschillende uitgaven is vermeld dat Het Nederlandsch Familie-Archief de genealogieën van alle Nederlandsche Geslachten, die daarvoor in aanmerking kunnen komen, zal bevatten. Ze worden opgemaakt uit authentieke bescheiden en geloofwaardige gegevens, zo volledig mogelijk tot op heden bijgewerkt. Iedere maand komt er een nieuwe genealogie, in de mannelijke lijn bijgewerkt en met het stamwapen versierd. De prijs is 30 Cents per vel van zestien16 bladzijden. Er zal slechts een klein getal exemplaren worden gedrukt, waarvan er tweehonderd genummerd zullen worden voor de intekenaren op het gehele werk. De afzonderlijke genealogieën zullen hoger in prijs zijn. Daarna volgt een lijst van de tot dan verschenen genealogieën en hun prijs.

In totaal zijn er veertien genealogieën verschenen; één in 1877, zeven in 1878 en zes in 1879. Ze betreffen de geslachten:

Van Barnevelt, (98 p.)   Hubrecht, (95 p.)
Van Beeftingh, (24 p.) Huyssen van Cattendyke, (47 p.)
Browne, (33 p.) Lestevenon, (51 p.)
Chabot, (89 p.) Meyners, (50 p.)
Crommelin, (205 p., Ned. en Franse tekst) Prins, (94 p.)
Dumbar, oorspronkelijk Dunbar (22 p.) Steyn, (51 p.)
Groeninx van Zoelen, (30 p.) Straalman, (20 p.)

In 1891 verscheen van R.L. Martens nog de genealogie van het geslacht Hoynck van Papendrecht, gedeeltelijk naar aantekeningen van J.H. Scheffer

In de uitgave van juli 1879 telt de lijst van genealogieën die nog in behandeling zijn of al ter perse liggen nog 102 namen. Daarvan is er niet een meer verschenen.

Noten
1 Het bleek te moeilijk en tijdrovend om daarover in Arnhem meer informatie te krijgen.
2 Verslag omtrent den toestand der gemeentelijke archieven, de aanwezige inventarissen en de mogelijkheden van toekomstige inventarisatie, 1858.
3 Veel van het in deze paragraaf vermeldde is ontleend aan H.C. Hazewinkel, MDCCCLVII/MCMLVII Honderd jaar gemeentelijke archiefzorg
4 In J. Craandijk, Wandelingen door Nederland met pen en potlood, deel 3, 1878, p.149-171
5 Zie het hoofstuk 'De zgn collectie Craandijk'
6 Bijdragen tot de vaderlandsche geschiedenis en oudheidkunde, R. II, vol. 10 (1880); 'Verslag van de voornaamste werken over vaderlandsche geschiedenis, in 1878 en 1879 in Nederland verschenen', door Jhr. J.E.H. Hooft van Iddekinge; p. 75-76.
7 Deze gegevens zijn ontleend aan A.G. van der Steur,'De beoefening der genealogie in Nederland sedert het midden van de 19de eeuw', in Gedenkboek afd. Kennemerland 1979, p. 120-147.

inhoudsopgave